John
Dilworth onderzocht het leven en werk van Tomasso
Balestrieri en andere vioolbouwmeesters uit de school van
Mantua. Dit onderzoek werd gepubliceerd in "The Strad"
van juli 1993 en werd eerder in het Duits vertaald door
F.Benjamin Schröder, Frankfurt am Main.
Mantua,
de stad van Virgilius, Mantegna en Monteverdi, weerbaar
en strijdlustig, gebouwd in het spanningsveld tussen de
opkomende steden Milaan en Venetië, is omgeven door moerassen
en nevelvelden; klimatologisch gezien een niet zo'n gezonde
omgeving in Noord Italië. Maar ondanks de voortdurende dreiging
van epidemieën en de pest werd hier in het verleden
onder de bescherming van de verlichte graven Gonzaga een
waar paradijs voor beeldende kunst, literatuur en muziek
geschapen.
De bekende beschermvrouwe van de renaissance muziek, Isabelle
d'Este, sinds 1490 gemalin van Gianfrancesco Gonzaga, bestelde
al in 1495 in Brescia meerdere gamba's. Lorenzo de Pavia
is de eerste instrumentenmaker die als zodanig in de archieven
is terug te vinden. Hij was als meesterbouwer direct in
dienst van van de gravin die hem de opdracht gaf deze gamba's
in Spaanse stijl te bouwen.
Midden16e eeuw werden door de Gonzaga's een muziek academie
en een operahuis in het leven geroepen. Zowel Claudio Monteverdi
als amper honderd jaar later Pietro Guarneri ( 1655-1720
)kwamen uit het naburige Cremona als musici aan het hof
van Mantua.
Een
vioolbouwschool met een sterk eigen karakter.
Pietro Guarneri vestigde zich in 1683 in Mantua.Hij
was degene die op zijn minst de basis heeft gelegd voor
een heel belangrijke vioolbouwtraditie aldaar. Ofschoon
de school getalmatig klein bleef. verenigden zich hier een
zeer hoog niveau van vakmanschap met een uitgesproken eigen
karakter.
De ontwikkeling van de vioolbouw in Mantua daagt ons eens
te meer uit tot theorieën en speculaties die
het onderzoek naar de oorsprong van de vioolbouw tot op
heden spannend maakt.
Pietro Guarneri onderscheidt
zich door zijn nauwkeurig handwerk en zijn voorliefde voor
de hooggewelfde Stainer-modellen duidelijk van andere leden
van de Guarneri-familie. De gebroeders Hill schreven dat
er ten tijde van Pietro Guarneri geen andere vioolbouwer
in Mantua werkzaam was. Hij zou het alleenrecht hebben gehad
op de verkoop van snaren en boven dien door zijn betrekking
aan het hof vele andere privileges.
Maar tussen 1706 en 1745 woonde en werkte er in Mantua een
vioolbouwer Antonio Zanotti
genaamd.
Zanotti werd in Ceretto in de provincie Lodi, ca 120 km
ten westen van Mantua in de buurt van Milaan, geboren. Hij
beschouwde zich als een leerling van Giralmo Amati II.
De violen van Zanotti, aan wie geen bijzondere voorrechten
ten deel vielen, hadden stilistisch geen band met
die van zijn prominente collega's. Bijzonder valt op de
mindere kwaliteit van de lak in vergelijking met de prachtige
werkstukken van Guarneri. Een beroepsmatige samenwerking
is daarom al niet waarschijnlijk geweest. Ondanks alles
hebben de instrumenten van Zanotti een vergelijkbare klankkwaliteit
met die van zijn tijdgenoten.
De f-gaten staan wat schuin en iets meer naar buiten en
doen eerder denken aan Cappa uit Turijn als aan de instrumenten
van Guarneri. Er bestaat wel een viool van Zanotti met een
dubbele randinleg en een fleur -de -lis in de hoekpunten,
exact zoals bij een viool van Pietro Guarneri uit 1686.
De opvolger van Zanotti werd ca 1704 in Mantua geboren,
Camilli Camillus, die
voor een vioolbouwer relatief kort heeft geleefd. Op 50
jarige leeftijd stierf hij in Mantua, hetgeen te maken kan
hebben met het ongunstige leefklimaat in zijn geboortestreek
en stad. Zijn vroege instrumenten vertonen nog duidelijk
de hand van zijn leermeester Zanotti. Later zien we ook
invloeden van Pietro Guarneri. De omtrek krijgt meer en
meer de klassieke vorm en ook de f-gaten en de krul laten
duidelijker Guarneri's stijlkenmerken zien. De voor Mantua
zo typische lak blijft onveranderd maar is hier en daar
wat kleurrijker opgebracht. Uit andere details blijkt dat
Camillus erg vertrouwd moet zijn geweest met de werkwijze
en de technieken van Amati en de Guarneri-familie in Cremona.
Tomasso Balestrieri: De
meest mysterieuze vioolbouwer van Mantua
Via Camillus komen we bij Tomasso Balestrieri, de bekendste
en tegelijkertijd de meest mysterieuze vioolbouwer van Mantua.
De beschikbare naslagwerken vermelden dat hij tussen 1750
en 1780 werkzaam is geweest in Mantua maar zichzelf als
een Cremoneser beschouwde. Dit komt ook voor bij andere
meesters waarvan we weten dat hun contacten met Cremona
zeer oppervlakkig waren. Tot nu toe wordt in geen enkel
document bevestigd dat Balestrieri in Cremona zou hebben
gewoond of gewerkt. Ook over zijn geboorteplaats en datum
is niets met zekerheid bekend.
Onlangs werden er nieuwe documenten ontdekt over een Balstrieri-familie
in Barcelona waaronder een Joseph Balestrieri, vioolbouwer
in dienst was van de Spaanse koning. De in Spanje wonende
Balestrieri's beschouwen Piacenza, een stadje 20 km ten
zuidwesten van Cremona, als hun plaats van herkomst. Tomasso
Balestrieri is een van de belangrijkste vioolbouwers in
Italië ten tijde van Stradivari. Zijn ontwikkeling van de
hooggewelfde modellen van Stainer naar de vlakkere Camillus-vorm
met een massieve , robuuste klank, brengt hem op het niveau
van Storioni in Cremona en Guadagnini in Piacenza. Hij is
de enige vioolbouwer, buiten de Guadagnini- famlie, die
bij gelegenheid licht notenhout gebruikt voor de randinleg.
Het feit dat ook de onbekende Joseph Balestrieri in Spanje
afkomstig is uit Piacenza brengt Tomasso Balestrieri en
Guadagnini dichter bij elkaar.
De recente ontdekking van Guiseppe Zanotti, die als vioolbouwer
rond 1700 in Piacenza werkzaam was, werpt een nieuw licht
op de betekenis van dit stadje, gelegen aan de overkant
van de Po in de nabijheid van Cremona. Waar en door wie
J.B. Guadagnini is op geleid is nog onzeker evenals de oorsprong
van zijn tijdgenoot Tomasso Balestrieri. In Piacenza valt
nog veel te ontdekken. De instrumenten van Tomasso Balestrieri
zijn even fascinerend als zijn herkomst. Zijn vroege violen
hebben duidelijke stijlkenmerken van Camillus. Je zou kunnen
zeggen dat ze gebouwd werden met de mallen van Camillus,
dezelfde mallen die misschien eens aan Pietro Guarneri toebehoorden???
(Guarneri's zoon is zonder erfgenamen in 1709 in het
klooster gegaan)
en met diens lak werken afgewerkt. Aangenaam oranje-bruin
direct op het blanke hout aangebracht is de lak in vergelijking
met de Cremonesers zeker niet geweldig maar heeft een bepaalde,
heel eigen charme.
De f-gaten zijn slank en erg verticaal; ze doen met hun
fraai gesneden "flapjes" eerder denken aan Stradivari
dan aan de vormen van de plaatselijke traditie. De welving
is vol en goed geproportioneerd. Zijn krullen hebben vanaf
het begin af aan de typische kenmerken van Balestrieri.
De omtrekvorm van zijn latere violen heeft een massief karakter,
elk detail is breed en krachtig. De randen zijn vlak, de
f-gaten vrij verticaal en ver staan ver uit elkaar maar
toch ruim binnen de randinleg van de eveneens ver uit elkaar
liggende C-beugels. Deze zijn ook vrij diep. De welving
van de bladen is over het algemeen in vergelijking met Stainer
en Pietro Guarneri laag en geheel in stijl van Cremona.
Balestrieri had blijkbaar geen gebrek aan eerste klas klankhout.
Voor het bovenblad gebruikte hij meestal zeer fijn generfd
fijnspar terwijl de onderbladen wat meer variatie vertonen.
Dikwijls zien we hiervoor esdoorn uit de streek dat dosse
gezaagd is, soms met kleine groeifoutjes en onregelmatig
gevlamd. Het is het zelfde hout dat in Cremona ook door
Storioni en later door Bergonzi werd gebruikt. De randinleg
is met donkere lijm in een wat ruim gesneden groef
ingelegd en is soms onregelmatig van breedte. Het middendeel
van de inleg is van het lichte noten spinthout.
De krul van Balestrieri's instrumenten vertoont bijzondere
stijlkenmerken
Overduidelijk is de krul bij de violen van Balestrieri zijn
handschrift en signatuur. We herkennen steeds een aantal
terugkerende stijlkenmerken. Opvallend is de extra kwartslag
in de laatste winding bij het oor en het snel verminderend
verloop aan de rugzijde. Een ander kenmerk is de druppelvormige
afwerking van de schroevenkast. In het vooraanzicht verdwijnt
de middenrib van de krul in het verloop achter de buitenrand.
De symmetrisch geometrische
vorm van de krul, samen met de krachtige schroevenkast
is een prachtige evenwichtige voltooiing van de viool.
De vroege lak is soms teleurstellend. Vaak minder transparant
en dun , schilferig en zonder enige grondering opgebracht
op het blanke hout. Men veronderstelt dat het hier
een spirituslak betreft. Zijn latere werkstukken kunnen
glansrijk de vergelijking met de groten van zijn tijd doorstaan.
Met betrekking tot de klankkwaliteit kan men zeggen dat
Balestrier's instrumenten zeer geschikt waren voor solistisch
gebruik, ook voor minder virtuoze musici; heel ingetogen
en aangenaam klinkend in kleinere ensembles, waarbij een
sonore helderheid vermengd wordt met een briljante toon.
In het algemeen behoren zijn instrumenten tot de beste in
zijn tijd en kunnen een vergelijking met die van de Cremonese
meesters doorstaan.
De precieze sterfdatum van Balestrieri is niet bekend, in
Manua werd niets gevonden. Misschien trok hij zich op zijn
oude dag terug, op de vlucht voor de ontelbare muggen.
In Mantua was er na Balestrieri geen vioolbouwer meer van
enige betekenis. Alleen het werk van ene Giuseppe Dall'Aglio,
een wat eigenzinnig bouwer verraad enige invloed van Balestrieri.
Hij zou als diens leerling en opvolger aangemerkt kunnen
worden.
Veranderde werkstijlen
Ondanks de grote invloed van Pietro Guarneri op de school
van Mantua is het tot op heden niet zeker of hij ooit met
Zanotti of Camillus heeft samengewerkt. Het belangrijkste
kenmerk van zijn invloed op beide meesters was de hoge welving
van de bladen tot Balestrieri over ging tot de vlakkere
instrumenten. Ook ziet men in de tweede helft van de 18e
eeuw een maatschappelijke verandering m.b.t. de arbeidsethiek.
Ook in de vioolbouw ging men minder dogmatisch te werk en
was gericht op snellere productie en het bereiken van een
grote krachtige toon. Of de nieuwe idealen ontstonden vanuit
persoonlijke waarnemingen en ervaringen of de eerdere samenwerking
met andere meesters is de vraag waar op het antwoord in
misschien Piacenza gevonden kan worden.
|