Het op elkaar afstemmen van de bladen van een viool

De eigentoon of kloptoon van de vioolbladen.
Voordat een vioolbouwer de bladen met de krans samen lijmt. Moet elk blad apart getest worden op zijn kloptoon.
Pak een blad vast tussen duim en wijsvinger en klop met gekromde wijsvinger laag op het onderste gedeelte van het blad. Het is moeilijk om onmiddellijk te beslissen welke toon je hoort, maar blijf net zo lang kloppen tot je een toon hoort die domineert en bepaal de toonhoogte door deze te vergelijken met een instrument of stemvork. Het doel van het op elkaar afstemmen van de bladen is daardoor een goed klinkend instrument te krijgen.
De kloptoon of eigentoon van het achterblad moet een halve toon hoger zijn dan die van het bovenblad. Is het verschil meer of minder of zelfs omgekeerd dan zal men materiaal moeten weghalen op die plaatsen waar dat zonder risico kan met het oog op de juiste bladdikte.
De kloptoon van een bovenblad van een viool moet F4 zijn, voor een alt C4 en voor een cello C#3.
Sommige vioolbouwers geven er de voorkeur aan om de bladen op elkaar af te stemmen door te wegen.
Dit kun je doen door beide bladen op te hangen aan een balans in de verhouding
7 : 10. We schaven net zo lang aan de bladen totdat het evenwicht verkregen is.
De kloptoon van een blad zijn belangrijk maar hangt af van nerf en de dichtheid van het hout maar ook van de welving van het blad. Het bovenblad (zonder basbalk) is een hele toon lager gestemd dan het onderblad. De diktematen van de bladen zijn afhankelijk van de dichtheid en stugheid van het hout. Bij het toepassen van lichter en buigzamer hout is het raadzaam om het blad wat dikker te laten en om het onderblad aan de hoge kant wat dikker te laten om de stapeldruk op te vangen en het bovenblad aan de baskant dunner te maken om de basbalk de kans te geven om het hele trilgebied te beheersen.
Het op elkaar afstemmen van de bladen
Het is de vraag of de wonderklank van de oude Italiaanse meesterinstrumenten ligt in de onderlinge afstemming van de boven en onderbladen. Deze vraag is niet allen van deze tijd. Al 100 jaar geleden werden in Frankrijk al dergelijke vermoedens geuit.
Savart, een Franse arts, testte de bladen van instrumenten van Stradivari op hun eigentoon. Zijn bevindingen schijnen echter voor weinig instrumenten van nu op te gaan. Zo stelde hij vast dat de eigentoon van het een onderblad E was en die van het bovenblad Fis.
Fétis vermeld dit voorval en verklaart dit als een drukfout omdat meestal het onderblad in Fis en bovenblad in E zou staan. Het is niet uit te sluiten dat beide bevindingen juist zijn omdat Savart een afwijkende methode toepaste. bv. De Chladni methode waarbij het blad in het midden wordt vastgehouden en niet op de zwakste plek van het bovenste deel (de long) terwijl je met je knokkel op die plaats klopt waar later de kam komt staan, nl. dat is het ontstaanscentrum van de trillingen. De daar ontstane toon is bij voorzichtig kloppen (zodat er geen neventonen ontstaan) helder waarneembaar en de toonhoogte is vast te stellen door middel van een stemvork of stemapparaat. Deze methode is het meest toegepast.
Bij vergelijking van de oude meesters was het niet makkelijk een bepaalde lijn te ontdekken. Pas bij herhaalde testen is het helder geworden dat het de bedoeling is om het onderblad op Fis te brengen. De randen van onverlijmde bladen trillen van nature sterk mee.
Gaan we de bladen op de krans lijmen moet men er rekening mee houden dat de krans de trillingvrijheid van de bladranden beïnvloedt. Bij een hogere eigentoon van de bladen is het nodig de krans wat minder stevig te maken terwijl bij lagere eigentonen van de bladen de krans iets minder stug mag zijn.
Voor alle duidelijkheid moet worden gezegd dat minder dun uitgewerkte bladen hoger klinken en dunner uitgewerkte bladen een lagere eigentoon hebben. De hardheid en de dichtheid van het hout spelen vanzelf een belangrijke rol bij het uitwerken dikten van de bladen en het bepalen van de eigentoon.
De oude meesters zijn vaak afgeweken van de “normale” dikten van de bladen bij het stemmen ervan. Hierbij wordt het onderblad niet als bijzaak behandeld maar, in tegenstelling tot vaak wordt aangenomen, een belangrijke hoofdrol toebedeeld en als fundament bij de bouw van het instrument beschouwd. De uiteindelijke diktematen van de bladen wordt bepaald door “stemmen”.
Zou er in het verleden meer aandacht zijn geweest voor het onderling op elkaar afstemmen van het onder- en bovenblad dan zouden we waarschijnlijk niet zo'n grote afwijkingen tegen komen bij instrumenten van de zelfde bouwers. Het is aan te nemen dat oude meesters uitsluitend de eigentoon van het onderblad als referentie punt zagen. Een harmonische verhouding tussen boven- en onderblad is in geen geval waargenomen.
Hierbij moet ook worden opgemerkt dat er voor het vaststellen van de eigentoon verschillende methoden werden toegepast.
De bouwmeesters schijnen door de bladen in hun handen licht heen en weer te buigen de stevigheid en veerkracht bepaald te hebben. Een vrij primitieve werkwijze die door overlevering nog heden ten dagen in vele ateliers niet zonder risico wordt toe gepast. Voelde een bovenblad nog stug en weinig buigzaam aan dan werd er nog meer hout weg genomen Bij goed klinkende instrumenten treft men over het algemeen een buigzaam soepel bovenblad aan.
Zouden de oude Italiaanse meesters hun bladen harmonisch afgestemd hebben dan zou er nu geen enkel goed Italiaans instrument meer bestaan. Door het vervangen van de lichtere en kortere zang balk dor een zwaardere ene langere zangbalk zou de harmonisch afstemming verstoord zijn want een lichter of zwaardere basbalk verlaagt of verhoogt de eigentoon van het klankblad. Daar alle nu in gebruik zijnde violen van de grote Italiaanse meesters zwaardere basbalken hebben gekregen is de harmonische afstemming niet meer de oorspronkelijke. De oorspronkelijke instrumenten zouden voor de huidige concerten niet bruikbaar zijn. Ook hebben de grote meesters hun bladen niet harmonisch gestemd, toch wordt deze methode door tegenwoordige vaklieden met succes toegepast. Daarbij gelet dat de juiste veerkracht en buigzaamheid niet ongunstig beïnvloed wordt. Of een instrument te zwak is of nog te zwaar in het hout zit is door een ervaren vioolbouwer pas vast te stellen als de snaren, de kam en de stapel zijn aangebracht. Door kloppen en licht drukken met de duimentest de vakman zijn bladen. Helaas hebben vele amateurs zich deze methode toegeëigend. Menig instrument is door deze werkwijze met scheuren ontsiert. Er kan niet dringend genoeg voor deze praktijk worden gewaarschuwd.
Een onbedrieglijk bewijs van de juistheid van de dikten kan deze werkwijze niet zijn. Want de welving en de vorm van de bladen beïnvloedt de buigzaamheid. De juiste klankproef is het Kloppen!!
Hoe worden de bladen harmonisch gestemd?
Dr. Großmann neemt het blad op de plaats van de kam tussen duim en wijsvinger en klopt met de ander hand iets boven of onder die plek en bepaalt dan de hoogte van de toon die hij hoort. Naar gelang men de klopplaats kiest, verandert de toonhoogte die gepaard gaat men andere tonen zodat alleen een geoefend oor in staat is de hoofdtoon er uit te luisteren.
Anderen pakken het blad vast op de zwakste plek en kloppen op het midden. Een andere methode is het blad op te hangen en door te bekloppen met een vilten hamertje de eigentoon vast te stellen.
Chladni klemt het blad horizontaal vast en strijkt met een strijkstok de rand aan.
Trillen de bladen ook als ze op de krans zijn gelijmd?
Natuurlijk, maar de grootste trilling vindt plaats in het midden. Op deze plaats heeft het blad de grootste bewegingsvrijheid die door de f-gaten nog versterkt wordt. De stapel belemmert de trillingen onder de rechter kamvoet maar het blad kan aan de baskant nog vrij bewegen.
Is naar het verlijmen de eigentoon van de bladen nog hetzelfde?
Nee, want nu trilt de hele klankkast als we op de plaats van de kam kloppen mee.
Als we het instrument nu gaan besnaren dan wordt er een buitengewoon grote kracht toegevoegd. Bijde hals en dekrul ontstaat er een trekkracht van ± 30 kg die probeert het bovenblad in het midden op te drukken. De snaardruk op de kam werkt deze kracht weer tegen. De snaardruk is afhankelijk van de snaarhoek op de kam die wordt bepaald door de kamhoogte en de halshoek. Hoe groter de snaarhoek is , des te kleiner is de snaardruk en omgekeerd. Zijn de bladen niet sterk genoeg, dan zullen er vervormingen ontstaan.
Het bovenblad wordt het eerst belast door de trillingen van de snaren en geeft deze trillingen door aan de stapel en basbalk. De stapel brengt de trillingen over op het onderblad. Het onderblad moer stevig genoeg zijn om die stapeldruk op te vangen zonder dar er vervorming van de welving ontstaat. Dit is nauwelijks waar te nemen maar komt vaak voor zelfs bij oude meesterviolen. Door het doorzakken van het onderblad zal ook het bovenblad enigszins vervormen wat verholpen kan worden door een iets langere stapel te plaatsen.
Conclusie: Op de eerste plaats meten we de vioolbladen, vooral het onderblad, zo stevig maken dat er geen vervorming kan optreden. Daarbij bestaat het gevaar dat we de bladen te dik laten zodat deze niet vrij kunnen trillen. De hardheid van het hout en de daarmee samenhangende klank is zo verschillend dat erg geen verband gelegd kan worden tussen de dikte maten van de bladen en de harmonische afstemming.
Toch moet men er rekening mee houden dat de eigentoon van het onderblad de klankkleur van het instrument mede bepaalt. De eigentoon is slechts een hulpmiddel bijnhet bepalen van de bladdikte omwille van de klankkleur.
F. Savart stelde voor de bladen niet te bekloppen maar deze als ze in een speciale klem op 1/3 van de bladlengte horizontaal ingeklemd zijn aan de rand aan te strijken met een strijkstok. (vergelijk Chladni) Door de dikte van de bladen te verminderen, kan men de door de strijkstok geproduceerde toon zover verlagen dat de gewenste toon verkregen is.
E. Vitacek,(die overigens van mening is dat de negatieve beoordeling van het harmonisatie systeem door Möckel op onjuiste gegevens berust), geeft de volgende werkwijze aan:
Men begint pas als het blad nagenoeg klaar is, de randinleg is aanebracht ed f-gaten gesneden en het blad op voorlopige dikte is gebracht.
Dan neemt men hout weg, net zolang tot de gewenste toon bijna is bereikt. Later na het lakken en het aanbrengen van de basbalk bepaalt men de uiteindelijke toonhoogte van de bladen.
Men onderscheid twee basisvormen bij het harmonisch stemmen van de bladen.
- Het stemmen van de bladen in Kwarten.
Bij de meeste Bresciaviolen van da Salo en van Maggini was het bovenblad in A gestemd en het onderblad in D. Deze instrumenten klinken vol maar hebben een kleine toon. Amati,de vroege Stradivari en de vioolbouwers in Venetië, Rome , Florence en Napels stemden niet in kwarten maar een halve toon hoger nl het bovenblad B enhet onderblad in Es. Deze instrumenten klinken aangenaam en zacht.
- Daarnaast kennen we het stemmen in sekunde. Gasparo da Salo en Maggni zijn erg laag gestemd nl: As en B. Mede door de hoge welving en de vrij open f-gatenhebben deze instrumenten een zangerige en smeuïge toon met het karakter van een alt.
In zijn klassieke periode stemde Stradivari zijn bladen in B en C en andere klassieke bouwers stemden hun bladen ook in sekunde maar in verschillende stemmingen. Bij klankanalyse blijkt dat instrumenten in een sekunde stemming de meeste boventonen produceren n het timbre het meest de menselijke stem benadert. Voor de alt werd in het algemeen niet zo nauwkeurig gestemd. Meestal is de stemming van de alt een sekunde tot een kwart lager dan die van de viool. De cellobladen werden boven in f en onder in g gestemd.
|