|
Muziekinstrumenten in de
Beeldende Kunst
Judith Leyster, 1609 -1660
|
|
Judith
Leyster 1609 -1660: De fluitspeler |
Judith
Leyster: Nederlandse schilderes behorend tot de Noord
Nederlandse barok.
Zij werd geboren op 28 juli 1609 in Haarlem en is overleden
in Heemstede op 18 februari 1660.
Tijdens haar verblijf in Utrecht onderging ze de invloeden
van de Utrechtse Caravaggisten en in het bijzonder van
Hendrick Terbrugghen. Omstreeks 1630 werd zij leerling
van Frans Hals.
In 1636 trouwde Judith Leyster met de schilder Jan Miense
Molenaer, met wie ze ook samen werkte.
Vlotte penseelstreek, harmonische kleuren en de karakteristieke
lichtval van opzij kenmerken haar stillevens, portretten
en genrestukken.
De fluitspeler is geen gewoon schilderij. Het is geen
portret van een fluitspelende jongen maar meer een portret
van de tijd. Een tijd waarin de gegoede burgers en kooplieden
hun status bewust werden. Ook zij gingen in familiekring
muziek maken en was het musiceren niet langer een voorrecht
van de kerk of het hof. Het schilderij laat een zelfbewuste
jongeman zien die op een traverso speelt. De traverso
is een houten dwarsfluit die veel voorkomt in de barokmuziek.
De viool op de achtergrond is ook een barok instrument.
Gebouwd volgens de archaïsche bouwtraditie van
de 17e eeuw. Lange hoekpunten die verraden dat er nog
geen hoekblokken werden toegepast en de krans in een
groef in het onderblad werd ingelaten. Een typisch barok
kenmerk is de korte hals met vlakke toets die bekroond
werd door een bijzonder gevormde schroevenkast en en
een naar onze begrippen wat forse krul. De stemschroeven
hebben de fraaie hartvorm zoals we die vaak tegen komen
in die tijd. De snaarhouder daarentegen is van een grote
elegantie die we ook terug zien in de f-gaten. De barok
strijkstok met ivoren slof en fraai gevormde punt laten
de welvaart van de 17e eeuwse burger zien.
De compositie van het schilderij is zeer verrassend.
Dat het niet als portret bedoeld is zien we aan de manier
waarop de jongen in een nogal ongemakkelijke houding,
gedraaid tegen de lichtrichting in, in de linksonder
hoek is geplaatst. Een beetje betrapt kijkt hij op;
door wie wordt hij gestoord in zijn spel? Is het 't
plotseling binnenvallende licht dat hem verrast? De
eigenschaduw in de kleding en het licht/donker spel
maakt het schilderij levensecht en geeft de jongen een
grote plasticiteit waardoor hij in de ruimte komt staan
die versterkt wordt door zijn slagschaduw op de muur.
Het bijzondere lichtspel zoals we dat ook kennen Terbrugghen
en andere Utrechtse Caravaggisten maakt van de viool
op de muur een monument. Loskomend van de muur door
de schaduwpartij erachter wordt het een tweede blikpunt
in het schilderij. Een statussymbool.
|

|