| Samen
muziek maken als ontspanning. Op veel manieren wordt
en werd muziek gemaakt uitsluitend als tijdverdrijf
en ontspanning. In de loop van de tijd wisselen verschillende
stijlvormen zich af of zoals tegenwoordig bestaan
deze vaak naast elkaar.
In de beeldende kunst zijn musicerende mensen veelvuldig
afgebeeld. Alleen of in groepen. In hoofse of in kerkelijke
kringen, op kermissen en bruiloften. En in de 17e
eeuw in de huiselijke kring. In de iconografie lezen
we de status van de muziek en de muzikant. We leren
de plaats van de muziek en het muziek maken in de
samenleving kennen.
Als je wilt hoe en door wie in de 17e eeuw muziek
werd gemaakt dan kun je veel zien in de schilderijen
van die tijd. De genre schilderijen van Vermeer, Terborch,
Brouwer, Jan Steen en Jan Miense Molenaer. (1610-1668)
Wat
vertelt ons het schilderij " Musicerend Gezelschap"
van Jan Miense Molenaer (1610-1668)?
Aan het interieur en de kleding van de mensen zie
je dat het een voornaam gezelschap is uit de eerste
helft van de 17e eeuw. Het betreft hier een gegoede
Haarlemse familie die bekend was met het culturele
leven en in de kunstwereld goed thuis was. De Frans
Halsachtige portretten doen vermoeden dat familie
de schilder moet hebben gekend. Ook de symboliek ontbreekt
niet. In de achtergrond zien we een doodshoofd, een
zandloper en een klok als symbolen voor vergankelijkheid.
In deze betekenis kan direct een verband worden gelegd
naar de muziekinstrumenten.
Tegen een ondiepe achtergrond staat een groep mensen
die sterk van elkaar verschillen. Het lijkt of ze
zich een moment hebben omgekeerd om te poseren. Hun
spel is even onderbroken. De vrouw in het midden met
opgeheven hand en muziekbundel is de leidinggevende
figuur in de groep. Linksachter speelt een man viool.
De nauwkeurigheid van de afbeelding vertelt ons veel
over de vioolbouw in die tijd Het zou een instrument
kunnen zijn van Johannes Boumeester of Hendrik Jacobs.
Het tweede strijkinstrument is de trots van de familie
en krijgt daarom een centrale plaats in het schilderij.
Een jonge muzikant bespeelt een cello, geen viola
da gamba. Dit is op zijn minst opmerkelijk omdat de
cello zeker tot het midden van de 17e eeuw veel lager
in aanzien stond dan de viola da gamba. Pas veel later
heeft de cello de viola da gamba verdrongen. Hieruit
zou men de conclusie kunnen trekken dat het afgebeelde
gezelschap zeer vooruitstrevend en vernieuwend moet
zijn geweest. Evenals de viool heeft de cello een
kortere hals en toets dan de huidige instrumenten.
De cellopunt ontbreekt nog zodat de cello met de onderbeugel
op de grond rust. We zien een afwijkende strijkstok
die op de karakteristiek wijze van die tijd wordt
gehanteerd.
Verder zijn er twee tokkelinstrumenten afgebeeld.
De Sister wordt elegant bespeeld door een sjiek geklede
dame vooraan links in het schilderij. Dit instrument
is vooral in de 16e eeuw geliefd en later in onbruik
geraakt. Het heeft een ronde vlakke klankkast die
spits toe loopt naar een lange slanke hals. In het
bovenblad is een fraaie rozet verwerkt en de schroevenkast
wordt bekroond met een vrouwenkopje. De man met hoed
speelt luit. De luit heeft in de muziek tot ver in
de 18e eeuw een belangrijke rol gespeeld en overtreft
in zijn klankrijkdom verreweg de sister. Twee belangrijke
kenmerken van de luit, de bolvorm van de achterkant
en de geknikte schroevenkast zijn door de schilder
heel precies en waarheidsgetrouw weergegeven.
Je kunt je afvragen welke muziek dit gezelschap gemaakt
heeft. Als we ons beperken tot de Nedelandse muziek
komen we al snel uit bij Sweelinck (1562-1621) of
Cornelis Schuyt (1557-1616) en bij Valerius zijn Neder-Landtsche
Gedenck-Clanck uit 1626. Jan Miense Molenaer moet
de Haarlemse componist Cornelis Padbrué (1592-
1670) gekend hebben.
|