| In
tegestelling tot de Rebec-achtigen staat de vedel
in hoger aanzien bij de kerk en de burgerij.
Al in de middeleeuwen
zie je musicerende figuren in beeldengroepen op kathedralen.
In afbeeldingen zien
we vedel in handen van koningen, engelen en in hemelse
sferen. Ook de gegoede burgerij en hooggeplaatste
personen bespelen de vedel. De vedel is daarom in
de beeldende kunst een veelvuldig afgebeeld instrument
in tegenstelling tot de vroege viool.
Toch heeft de vedel een
belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de
moderne viool. Aanvankelijk werd de vedel uit een
blok gebouwd zoals de rebec-typen. Uit een blok, betekent
dat de hals, onderblad en de krans uit een stuk gehouwen
zijn en het bovenblad wordt toegevoegd. De krans is
over het algemeen vrij laag. Later ontstaat de vedel
uit delen: De krans wordt in een groef van de beide
bladen in gelijmd. De hals en bovenblok zijn nog wel
uit een stuk als reminiscentie aan de vroegere bouwwijze.
Deze bouwwijze zal in de vioolbouw aangeduid worden
als de Archaïsch. Kenmerkend voor de vedel is de bladvormige
schroevenplaat met de sagittaal-stemschroeven.
De vedel was vooral een
begeleidingsinstrument voor de profane en hoofse gezangen.
De Lira
In Noord Italië ontstaat
in het begin van de15e eeuw de "Lira"
als begeleidingsinstrument. Dit vedeltype valt op
door zijn insnoering van de krans ter hoogte van de
snaarhouder. De lira-familie bestaat uit: de "lira
da braccio", de "lira da gamba" en
een baslier. De lira da braccio had 5 speelsnaren
eb 2 bourdonsnaren. De lira da gamba had 9 tot 13
speelsnaren en 2 bourdonsnaren. Deze instrumenten
werden hoofdzakelijk gebruikt voor de dansmuziek.
De vorm van de lira is
sterk beïnvloed door de aan het begin van de 16e
eeuw in opkomst zijnde viool. In wezen blijft de lira
een veredelde vedelvorm. Later werden veel lira`s
omgebouwd tot viool of cello.
Van nog groter belang
voor de ontwikkeling van de viool zijn de vedeltypes
die we zagen in Brabant en Vlaanderen. Instrumenten
van hoogwaardige kwaliteit en verfijnde afwerking
die gebouwd werden voor de export. In Brugge, Gent,
Brussel en Antwerpen werd de basis gelegd voor de
West-Europese vioolbouw. Deze instrumenten zijn wat
groter dan voorheen, hebben een hogere krans met een
vlak onderblad en meer snaren. Deze instrumenten zijn
vaak zeer realistisch afgebeeld in schilderingen van
de Vlaamse Primitieven. Later ontstaat uit deze vergrote
vedelvorm de "viola da gamba". Ook hier
werden de instrumenten gebouwd volgens de "archaïsche
bouwwijze".
De Viool
De Archaïsche bouwwijze:
Het onderblad wordt als
eerste onderdeel gevormd uit hardhout dat meestal
plaatselijk voorhanden was. Aan de binnenkant werd
aan de rand over de hele omtrek een groef gestoken.
De hals die met het halsblok nog een geheel vormde
werd op de plaats van het latere halsblok gelijmd.
In de hals zijn groeven aangebracht waar later de
krans in werd ingelaten. Onder op het onderblad werd
een halfrond of trapeziumvormig onderblok gelijmd.
De krans bestond uit delen die vooraf gevormd werden
en in de groef in het onderblad werden gelijmd. De
hoeken werden in verstek tegen elkaar gezet zonder
de versteviging met hoekblokken. Om een groter lijmvlak
te krijgen zie bij de archaïsch gebouwde instrumenten
sterk geprononceerde hoeken. Op dit geheel werd het
uit fijnspar gevormd bovenblad bevestigd. De basbalk
zoals we die nu kennen ontbrak. In sommige gevallen
zie je iets als een verdikking langs de middennaad
of de basbalk was gestoken uit de massa van het bovenblad
zelf.
http://www.wimray.netau.net/reconwpage.html
http://www.wimray.netau.net/
vervolg |