| Vioolbouw
De
viool; de oorsprong en ontwikkeling
(bronnen: Louis
Metz, Stijkinstrumenten vroeger en nu. Olga Adelmann. Die
Alemannische Schule. Musica Antiqua, diverse artikelen)
De viool is wellicht het best
bekende en het meest gebruikte orkestinstrument in de Westerse
muziekcultuur.
Er zijn weinig instrumenten waarover zoveel is geschreven
en toch is er over de oorsprong en ontwikkeling nog veel
onduidelijk en onzeker en omgeven met een waas van mystiek
en romantiek.
De viool, het viersnarig strijkinstrument
dat in kwinten is gestemd ( G-D-A-E ) zou volgens Werner
Bachmann afkomstig zijn uit Centraal Azië en via Perzië
en Arabië in Centraal Europa en de Balkan terecht gekomen
zijn. Van Ravanastron via Kemangeh, Rebab naar Rebec.

Uit verschillende publicaties,
waaronder die van musicoloog en historicus Karel Moens in
het muziek tijdschrift Musica Antiqua onderscheiden we vanaf
hier twee trajecten in verband met de oorsprong en ontwikkeling
van de viool.
We kennen de Italiaanse luiten-
en gambabouwers in de 16e eeuw, die volgens de
georganiseerde ambachtelijke traditie en verfijnde bouwwijzen,
instrumenten gingen bouwen die in kwinten waren gestemd.
Deze instrumenten waren bestemd voor de aristocratie en
de gegoede burgers.

Je zou kunnen zeggen dat de
lira- en de violafamilie als uitgangspunt hebben gediend.
In Brescia werkten in de 16e
eeuw; Gasparo Bertolotti (da Salo), Peregrino di Zanetto
en Giovanni Paolo Maggini
In Venetië Ventura di Francesco Linarollo en in Cremona
was het Andrea Amati die de basis legde voor generatie lang
meesterlijke vioolbouwkunst van o.a. Stradivari en de Guarneri`s.
Een andere mogelijkheid moet
toch ook serieus onderzocht worden: de speelmanstraditie.
De overgeleverde vioolbouwtraditie
van de speellieden in de Middeleeuwen en de Renaissance.
Met speelmannen worden bedoeld de rondtrekkende muzikanten
die hun instrumenten zelf bouwden. Tot in de 19e
eeuw waren er professionele violisten die hun violen zelf
bouwden. Hun instrumenten zijn herkenbaar aan de minder
verfijnde bouwwijze.
Restanten van deze speelmanstraditie treffen we aan op de
Balkan in de vorm van de Gadulka. De Gadulka is een Rebec
type met de stapel en de kam uit een stuk die door een gat
in het bovenblad op het onderblad staat.
Zo ontstonden er in Polen in
de 16e eeuw de Mazanki (een kleine viool) en
de Basy (een kleine basviool). Strijkinstrumenten met drie
snaren, waren op de hals en bovenblad na uit een blok gehouwen
en hadden een kam en stapel uit een stuk. De vorm ervan
had een grote gelijkenis met de huidige viool- en cellovorm.
Wetend welke belangrijke rol
de Poolse speellieden hebben gehad in noordelijk Europa
is het aannemelijk dat de Mazanki de voorloper is van onze
viool.
Ook is het niet denkbeeldig
dat vooral de Poolse speellieden de vioolbouw overgebracht
hebben naar Zuid Duitsland en de Nederlanden. Termen als
"alla Polca" en dansvormen als Polka en Polonaise
zouden deze veronderstelling kunnen ondersteunen.
In dit verband dient de Keltische
Crwth vermeld te worden omdat deze ondanks zijn totaal verschillende
vorm in bouwwijze sterke overeenkomsten vertoont met de
Mazanki en waar de kam en stapel ook uit een stuk zijn gemaakt.
De vedel
vervolg

|