| Vioolbouw
"Enkel
door de tijd en gebruik gerijpte violen zijn geschikt voor
solospel"
(Louis Spohr)
Het is jammer dat vele
prachtige instrumenten van grote vioolbouwers in handen
zijn gevallen van rijke beleggers of maniakale verzamelaars.
De prijzen worden opgedreven door verzekeringspremies, onderhoudskosten,
inflatie en winstbejag. De naam van de bouwer speelt uiteraard
een belangrijke rol. Stradivari en Guarneri staan in hoog
aanzien. Toch zouden de modellen van Amati en Stainer in
hun tijd de voorkeur hebben genoten vanwege hun klankkwaliteit.
De Stradivari en Guarneri violen kregen hun briljante klank
pas na ingrijpende aanpassingen aan het einde van de 18e
eeuw. Deze aanpassingen werden gedaan toen er behoefte ontstond
aan instrumenten met een grote toon en draagwijdte. Instrumenten
met een groot volume waren nodig voor concerten in grotere
zalen en voor een groot publiek.
De basisvorm van de viool veranderde
nauwelijks. Om een krachtiger klank te kunnen produceren
moest er een grotere spanning op het bovenblad komen. Om
dit te bereiken werden de welvingen van de violen reeds
door Stradivari aanzienlijk minder hoog gemaakt. Toch waren
er aan het einde van de 18e eeuw deze rigoureuze
"verbouwingen" nodig.
De hals werd gemiddeld 10 mm
langer. De halshoek t.o.v. de krans ging van 90º naar 81º
zodat de wig tussen de hals en de toets kon vervallen. De
hals zelf werd 3 mm smaller. De hals werd niet langer op
de krans gelijmd en van binnenuit met drie spijkers vastgezet
maar in een spiegat in het halsblok geplaatst om de grotere
snaarspanning te weerstaan. Bij de aanpassingen werd vaak
de originele krul en schroevenkast ( het handschrift van
de bouwer ) terug geplaatst op de nieuwe hals. De genoemde
maatregelen hadden een verlenging van de vrij trillende
snaarlengte tot gevolg en daardoor ontstond de gewenste
spanningsverhoging op het bovenblad.
De kam heeft in de loop van
18e en 19e eeuw een vormverandering
ondergaan. Hij is zo`n 3 mm hoger geworden en scherper gebogen.
De vorm ervan is pas later gestandaardiseerd. De positie
van de kam was, zoals we kunnen zien op 17e eeuwse
schilderijen, dichter bij de snaarhouder dan tegenwoordig
en had vaak zelf geen precieze vaste plaats. In verband
hiermee komt de vraag op waar dan de stapel moet hebben
gestaan. Zou het zo zijn dat de fluwelen warme klank van
de oude violen het gevolg was van het feit dat de kam boven
de stapel heeft gestaan? We kennen een viertal instrumenten
in de Begräbniskapelle van de Dom van Freiberg, gebouwd
door de gebroeders Klemm aan het einde van de 16 eeuw, met
een stapel die boven de kam staat.
De nieuwe grotere snaardruk
op het bovenblad moest worden opgevangen. De zangbalk werd
25 mm langer en aanzienlijk hoger en breder. Ook de stapel
moest wat forser worden. Het uiterlijk van de viool veranderde
iets door de smallere en langere hals. De toets werd eleganter,
vanaf de schroevenkast naar de kam toe verbreed en over
de hele lengte gerond in overeenstemming met ronding van
de nieuwe kam. Bovendien werd hij 50 tot 60 mm verlengd
tot ca 270 mm. De klankkast bleef nagenoeg onaangetast.
Wel weten we dat talloze instrumenten door meer en minder
bekwame vioolbouwers en onderzoekers "geschraapt"
werden. De bladen werden vaak op naïeve wijze dunner geschaafd
om een vermeende klankverbetering en speelbaarheid te verkrijgen.
Op deze manier zijn meerder goede instrumenten gedegradeerd
tot middelmatigheid.
Opmerkelijk is dat de "vlakke
modellen" van Stradivari het gunstigst reageerden op
de aanpassingen en kregen daardoor al snel een enorme waardering.
Men kan met stelligheid zeggen
dat alle violen die voor ca. 1800 gebouwd zijn de voornoemde
"verbouwing" hebben ondergaan en dat deze slechts
voor een deel authentiek te noemen zijn.
Dus er bestaat geen enkele "echte" Stradivarius
meer??
|