De
Viola d'Amore is het alt-type van de Viola
bastarda, dus een lid van de violafamilie waartoe
ook de Viola da Gamba behoort. De viola
bastarda is zoals de naam al doet vermoeden een viola da
gamba met nog al wat afwijkende eigenschappen
Viole
Vanaf het einde van
de 15e eeuw is de viola het meest populaire instrument van
de Renaissance en de Barok, lang voordat de cello en de
viool hun opmars maakten. Het is niet waarschijnlijk dat
de viola de voorloper is geweest van de cello en viool.
Meer aannemelijk is dat de verschillende vormen van de viola
en de cello en viool naast elkaar een eigen ontwikkeling
hebben doorgemaakt totdat de vioolachtigen door hun klankeigenschappen
en bouwwijze beter pasten bij de muzikale eisen van de nieuwe
tijd.
De viole
(meervoud van viola) zijn gebouwd in verschillende maten
en vormen waarvan de viola da gamba, de
viola bastarda, viola di bordone
en de viola d'amore de bekendste zijn.
De viola da braccio is naar bouwwijze geen familie
van de andere viole maar moet eerder gerekend worden tot
de vioolachtigen.
De viole en de vioolachtigen verschillen duidelijk
in bouwwijze, klankeigenchappen, speelwijze en stemming.
De bouwwijze van de viola komt sterk overeen met
die van de spaanse vihuela, een tokkelinstrument
dat het midden houdt tussen luit en guitaar. Kenmerkend
zijn het vlakke onderblad, de vrij brede toets met zeven
toonrichels ofwel frettten en de zes snaren. De krans loopt
schuin op naar de hals toe. Er is een roset geplaatst vlak
onder de toets als klankgat zoals bij de luit. De klankgaten
links en rechts van de kam zijn vlamvormig, late C-vormig
en later ook wel F-vormig.
De dun uitgewerkte bladen en de geringe snaarspanning
zorgen voor een intieme klank en de vrij kleine toon, geschikt
voor een klein publiek. De klank kun je omschrijven als
mild, edel, soms wat ijl en een beetje nasaal.
De fraai gebogen schroevenkast wordt bekroond door
een subtiel vrouwen- of cupidokopje.
De zes darmsnaren, waarvan de drie laagste omwikkeld
met zilver, werden gestemd in kwarten en tertsen.
De speelwijze is typerend voor het violaspel: vertikaal
met de corpus naar beneden gericht. De convexe stok houdt
men in ondergreep.
De viola bastarda
is een violatype met nogal wat afwijkende eigenschappen.
Het is een tenor viola da gamba waarbij resonanssnaren
onder de toets zijn aangebracht, die ook vanwege de open
hals en schroevenkast met de duim getokkeld konden worden.
De stemming was in kwarten en kwinten. De vorm is vaak erg
grillig.

De Viola d'Amore
is het alttype van de viola bastarda.
Bespannen met zes of zeven metalen melodiesnaren
die gestemd werden afhankelijk vam de compositie. De meest
voorkomende stemmingen waren:
d-fis-a-d'-fis'- d'' of d-f-a-d'-f'-a'-
d'' of c-es-g-c'-es'-g'-c''
Naast de melodiesnaren zijn er een even groot aantal
sympathische snaren aangebracht. Dit zijn dunne metalen
snaren onder de melodiesnaren in de zelfde stemming die
meetrillen met de tonen van de hoofdsnaren. Ze lopen vanuit
de schroevenkast onder de toets en door de onderkant van
de kam.
De toets is vrij breed en heeft geen fretten en de
nogal vlakke kam maakt het instrument uitermate geschikt
voor akkoordenspel. De snaren zijn verbonden met fraai gevormde
sleutels in een elegante schroevenkast die voltooid wordt
door een gebeeldhouwd vrouwenkopje of een cupido. Vaak komt
op de viola d'amore een geblinddoekt vrouwenkopje voor dat
zou verwijzen naar de liefde die verblindt.
De viola d'amore wordt het eerst vernoemd in 1618
door Praetorius, het type met de resonanssnaren is bekend
vanaf 1648 en is vooral populair in de late 17e en 18e eeuw.
De speciale zachte en lieflijke klank maakt het instrument
bijzonder geschikt voor muziek met een hoog emotioneel gehalte
zoals de Bach cantates en de Johannest Passion of de Passion
Der Sterbende Jesus van Telemann. Ook Vivaldi componeerde
meerdere stukken voor de Viola d'Amore.
3 viola's d'amore gebouwd door: Vogelsangs Vioolbouw,
Berlicum NB Nederland

|