Voor
de bouw van een strijkinstrument worden drie houtsoorten
gebruikt:
A
Fijnspar ( Picea abies)
B Esdoorn ( Acer plantanoïdes)
C Ebben (Diosporos)
Fijnspar
of vurenhout
wordt gebruikt voor:
Bovenblad
Zangbalk
Stapel.
Ook
de hoekblokken
en het boven- en
onderblok zijn van fijnspar gemaakt.
De kwaliteit
van het vuren is van groot belang voor de klankvorming
van het instrument. Het is licht en elastisch en een goede
geleider van de trillingsgolven.
De houtnerf
moet erg fijn en recht van lijn zijn om in aanmerking
te kunnen komen voor klankhout voor de instrumentenbouw.
De fijnspar die geschikt is voor klankhout groeit langzaam
op een hoogte van boven de 1000 meter aan de noordzijde
van de Alpen en in de Karpaten. Oude bomen van meer dan
200 jaar worden aan het eind van de winter gekapt als
de sapstromen zijn gestopt. De stammen worden radiaal
of kwartiers gezaagd zodat er wiggen ontstaan.
Deze worden minstens vijf jaar in luchtige loodsen
opgeslagen voordat zij geschikt zijn voor viool- of cellobouw.
In Mirecourt en andere bouwcentra hebben de vioolbouwers
hun voorraad hout op open droogzolder boven hun atelier.
Er zijn in het verleden allerlei proeven gedaan om het
droogproces kunstmatig te verbeteren of versnellen. Van
de franse vioolbouwer Vuillaume is een verhaal bekend
dat hij zijn klankhout in de oven verhitte. Men noemde
dat het bakken van hout. Vanhier misschien de uitdrukking
"gebakken violen"
Esdoorn
of ahorn wordt gebruikt voor:
Krul
Hals
Onderblad
Krans
Esdoorn
is een wit/witgelige houtsoort die zacht zijdeglans vertoont.
Het is hard en veerkrachtig en laat zich goed bewerken.
Het uiterlijk is kan sterk verschillen van ongetekend
tot zwaar "gevlamd"
Deze
"vlammen" ziet men op het onderblad van een
viool of cello of op de krans. Het matig gevlamde hout
is het meest geschikt. De vlammen ontstaan bij het kwartiers
zagen van de stam. Kwartiers zagen heeft het voordeel
dat twee in de stam naast elkaar liggende wiggen aan elkaar
kunnen worden gelijmd.
Zo ontstaat er in het onderblad een spiegelbeeld
en het is houtbesparend.
Tot in de
tijd van Nicolo Amati (1596) werd in plaats van esdoorn
vaak populier of linden gebruikt.
Deze violen
hadden een warme wat fluwelen klank maar spraken minder
goed aan. Ook werd wel fruithout toegepast. De combinatie
esdoorn-fijnspar blijkt uiteindelijk het best te voldoen
aan onze klankverwachting en is vanaf begin 17e
eeuw traditioneel toegepast.
Ebbenhouit
(diospyros ebenus)
Voor
de stemsleutels, het boven- en onderzadel, de toets, de
snaarhouder en het knopje gebruikt de vioolbouwer ebbenhout. Door zijn bijzondere eigenschappen is deze houtsoort zeer
geschikt voor instrumentenbouw. Het is hard, zeer dicht
en fijn van nerf. Bovendien werkt ebben niet. We kennen
het zwarte ebben uit India en Sri Lanka en het gestreepte
heet ook wel coromandel.
Buxus
( buxus arborescus)
Soms
wordt ook buxus toegepast om zijn mooie bruine kleur.
Het is zeer hard en heel fijn generfd. Het wordt gebruikt
voor sleutels, snaarhouders en knopje. Ook worden er kinhouders
van gemaakt.
Voor
de strijkstokken wordt pernambuco of brasilhout gebruikt
Ik
leefde in bossen,
Werd gedood met een bijl,
Ik was stil toen ik leefde,
Nu ik dood ben zing ik met zachte stem.