| Vioolbouw
Elzas-Lotharingen,
Vogezen en Zuid Duitsland
In Lotharingen
en Vogezen zien we een concentratie van vioolbouwers die
tot ver in de 18e eeuw op archaïsche manier blijven
werken en instrumenten maken die verwantschap vertonen met
de Zuidnederlanse violen. In detail zien we wel duidelijke
verschillen. De krul is verder los gemaakt van de schroevenkast
en veel dieper uitgestoken. Aan de dubbele randinleg van
het onderblad worden symmetrische decoraties toegevoegd
in de hoeken en bij het onder- en bovenblok. Ook de zijkant
van de schroevenkast is versierd. In de Vogezen zien we
vaak dat in de hoeken van het bovenblad bloemmotieven worden
aangebracht. De belangrijkste plaats in de Vogezen is Mirecourt
van waar Parijs werd voorzien van instrumenten. Het is duidelijk
dat de latere Parijse vioolbouw sterk door Mirecourt werd
beïnvloed. In Metz en Nancy werden vooral basviolen gebouwd.
De
vioolbouw in het Zwarte Woud en het duitsprekende deel van
Zwitserland vertoont duidelijke kenmerken van de archaïsche
bouwwijze en verwantschap met Mirecourt. Wel zijn er enkele
specifieke kenmerken te onderscheiden zoals een verdikking
in het onderblad ter hoogte van de stapel, dubbele randinleg
die over gaat in een overdadige symmetrische decoratie.
De krul is vrij diep uitgesneden en staat opmerkelijk los
van de versierde schroevenkast. In stijl en bouwwijze behoort
dit gebied bij de Vogezen en Lotharingen.
In Zuidduitsland, met
name in de Allgau en Tirol treffen we in de 17e
eeuw vioolbouw aan die gebaseerd is op de speelmanstraditie.
Hier werd vaak de houtnagel verbinding toegepast om de bladen
op de blokken te bevestigen. Dit zien we ook in het vioolbouwerscentrum
Füssen . Men beweert dat in die tijd het verlijmen van houten
onderdelen was voorbehouden aan de georganiseerde meubelmakersgilden.
Uiterlijk verschillen de instrumenten uit Allgau en Tirool
niet veel van die uit Vogezen of Zwarte Woud. Later is de
bouwtraditie in Zuidduitsland sterk beïnvloed door de Italiaanse
bouwstijl. Toch heeft de Zuidduitse viool zijn invloed gehad
op Italië. De decoraties die we aantreffen op de instrumenten
van Gasparo da Salo en Maggini in Brescia zijn afkomstig
uit Zuidduitsland.
De Italiaanse invloed
is vooral te zien in het werk van Jacob Stainer en de violen
uit Mittenwald. Tegen het einde van de 17e eeuw
is de traditionele vioolbouw in Zuidduitsland nagenoeg verdwenen.
Het langst vinden we
de traditionele bouwstijl terug in Saksen. Vogtlandt en
Bohemen. Deze instrumenten zijn sober en bovendien veel
minder nauwkeurig gebouwd. Vaak zonder randinleg en geheel
zonder decoratie. In de 18e eeuw concentreren
de vioolbouwers uit Vogtlandt en Bohemen zich in de stadjes
Markneukirchen en Klingental. Hier blijft de Zuidduitse
viool nog lang op traditionele wijze gebouwd.
wordt
vervolgd
|